Goodbye My Love

•september 4, 2008 • 3 reacties

Na een lang tijd stilte op deze blog zijn er twee dingen gebeurd: allereerst is mijn vriendin voor tien maanden vertrokken naar het verre Canada en heb ik ten tweede zin gekregen om dit hier te berichten. Nu hoor ik jullie al luidop zeggen: ‘gaat hij daar nu over zagen?’ Mijn antwoord is: ‘ja, gij ongevoelige zak’.

Meer specifiek ga ik zagen over de reacties die bepaalde ignoranten soms, wellicht met de beste bedoelingen, uitspuien. In de categorie lulligste uitspraak is de winnaar: ‘komaan, man, het zijn máár tien maanden’. MAAR tien maanden? Ok, zal ik uw ballen eens lostrekken en tien maanden bijhouden, om vervolgens uw “woorden van troost” terug te katapulteren. Sommige van die mensen begonnen in de middelbare school al te bleiren als hun gsm tot het einde van de les werd afgepakt.

In de categorie ‘What, are you tryin’ to depress me?’ hebben we te maken met verschillende winnaars, maar uitstekers zijn de mensen die gedurende de zomervakantie van iedere gelegenheid gebruik maakten om te vragen: ‘Wanneer vertrekt Eva nu eigenlijk?’ om dan, als ze wel degelijk vertrokken is, te vragen ‘Is Eva nu al vertrokken?’ Doet mij denken aan snotneuzen op de achterbank die om de vijf meter vragen ‘Are we there yet?’

Maar voor iedere stupiditeit die uit iemands bek wordt geslingerd, is er ook een deftige troostende daad of een troostend woord. Zo zijn er de hechte vrienden die moeite doen om mijn gedachten te verzetten door mij bezig te houden en die geen ‘Bold and the Beautifull’-achtig gesprek met mij proberen aan te knopen (de vel: ‘het komt wel goed makker, hou vol’ of andere tearjerkers zoals ‘Ik weet dat ze u altijd graag zal blijven zien’, alsof ze een grafrede houden) om omter tmeest tranen uit mijn ogen te wrikken.

In het verband van die vrienden heb ik mijn voorgenomen deze tien maanden te vullen met nuttigere bezigheden dan godganse dagen op café te zitten. Niet dat cafés uitgesloten zullen worden. Ze zullen enkel plaats moeten maken voor andere bezigheden, dingen die ik anders niet of sporadisch doe.

Dus anywayz, nu kunde weer vijf maanden zagen dak hier nog iets moet posten. Blaas mijn zak op.

PS: Saget & Gottfried are God!

PPS: De ‘e’ op mijn toetsenbord werkt niet goed, ik heb zoveel moglijk verdwenen ‘e’s’ proberen vervangen.

@ The Hoff: Look Out

•mei 9, 2008 • 4 reacties

Uw allergeliefde ondergetekende heeft zijn theoretische rijexamen afgelegd en tevens ingemaakt. De vragen waren niets tegenover mijn superieure kennis over het asfalten wonder en bijhorende accesoires. Als ge binnenkort nen TUUT hoort langs de baan ben ik het in mijn blitse Ford Mondeo die claxoneert naar uw lief!

When the laughter fades

•mei 6, 2008 • Geef een reactie

Ik ben de clown, de grapjas. Ik ben de persoon tot wie iedereen zich steeds keert als ze even hun eigen ellende achter zich willen laten. Men verwacht van mij dat ik overal met een glimlach van oor tot oor toekom en hun dag wat luchtiger maak. Maar wat als de clown geen clown meer wil zijn? Wat als de clown het beu is zich voor te doen als iemand die hij eigenlijk niet is? Wat als de clown zich er van bewust wordt: ‘wat is het nut nog?’ Het gepeupel staat versteld! Wie had verwacht dat de clown gevoelens had! Hij lacht met alles en iedereen, dan moet hij zichzelf toch ook kunnen relativeren? Gunter Lamoot zei ooit in een interview bij een niet nader vernoemd blad (waarvoor de edele Elke Rötgens haar wekelijkse bijdrage levert) dat hij zowaar depressief komt door steeds andere mensen aan het lachen te “moeten” brengen. Ik kies mijn woorden voorzichtig, want ik wil de mensen wel doen lachen. Maar dat trekt meer nadelen met zich mee dan voordelen.

Mijn hele leven trek ik alles al in het belachelijke. Gevolg: niemand neemt mij nog serieus. Zelfs ik niet. Na verloop van tijd weet ik niet meer wie IK ben, en wat IK wil. Iedereen die bij mij hangt wil gewoon eens goed lachen. Ze willen de dronkaard zijn glaasje zien opdrinken om hem vervolgens naar hun pijpen te laten dansen. Vragen ze zich dan nooit af wat er zich achter de dikke laag schmink bevindt? Ik heb mijzelf nooit goed kunnen uitdrukken. Iedereen slaat mijn woorden steeds in de wind. ‘Stijn, wa zegt gij nu?’, ‘Ge overdrijft weer’ , ‘Stop mee gridden’, ‘Doe eens normaal’ en ‘Doe iets aan uw lijn’ (met deze laatste totaal buiten context, toegegeven). Dergelijke reacties zijn dagelijkse kost op voor vrijwel iedere actie die mijn wezen onderneemt. Gevolg? Een muur van kwetsende humor die geen greintje emotie wenst te vertonen. Een leugen van stoerheid om toch maar respect af te dwingen. Of toch te proberen. De laatste tijd ben ik echter tot de conclusie gekomen het mikpunt van allerlei spot te zijn. Van minachting. Zo voel ik mij, minderwaardig. Mensen die mij kennen zullen waarschijnlijk denken: ‘We weten al wanneer die gevoelens zijn opgekomen,’ of ‘We weten wel waarom,’ maar het knaagt al meerdere maanden en komt op met vlagen. De laatste tijd steeds meer zelfs

Het zijn gevioelens van matigheid. Ik voel mij matig. Het gemiddelde. Waar blink ik in uit? Ik ben een matige vriend, een matig lief, een matige scholier, een matige muzikant, een matige clown, een matige zoon, een matige schrijver, een matige allesweter, daar ik enkel de matigheid der dingen beheers. Ik ben een Jack-of-all-trades, but a master of none. Ik heb het gevoel dat mijn leven geen enkele richting uitgaat. Vroeger dacht ik steeds dat de tijd wel zou uitwijzen waar mijn toekomst toe zou leiden. Nu heb ik de indruk dat de tijd achter mij holt, mij onder druk zet. Iedereen rond mij heeft iets waarin ze uitblinken. Ik heb kameraden die prachtige schrijvers zijn, prachtige tekenaars, mensen die gelukkige relaties hebben, die vrienden hebben waar ze huizen kunnen op bouwen, mensen die weten waar hun leven heengaat. Iedereen heeft zijn kaart in het doolhof des levens terwijl ik de mijne wellicht heb laten liggen op de toog van een of ander café.

Wellicht overdijf ik weer en maak ik er later een grap van. Waarschijnlijk zullen andere mensen er al grappen over maken. Ik neem het hen niet kwaijk, ik ben zelf zo. Misschien is het de menselijke natuur de spot te drijven met anderen, om een beter gevoel te proberen krijgen over jezelf? Ik voel dat iedereen mij overal nawijst en veroordeelt. Wanneer ik mezelf probeer te verklaren maak ik er enkel maar een grotere soep van, daar ik tevens een matig uitdrukker van gevoelens ben. Ik besef dat ik iedereen rondom mij kwets en van mij afduw. Maar wanneer iedereen de hele tijd verwacht dat je de vriendelijke kerel bent probeer je aan die verwachtingen te voldoen. Zodoende wordt iedere emotie opgeslaan als stoom in een theeketel (what a gay comparison) en ooit moet al die stoom eruit. ik reageer extremer op frustrerende situaties dan andere mensen. Ik kan eraan werken, maar ik zoek liever mijn antwoorden op de bodem van het glas. Nog meer stoom in de ketel…

Ik weet niet meer waar ik hiermee naartoe wou. Gewoon wat willekeurige gedachten, zoals er nog veel rondspoken. Misschien was het nodig om stoom af te laten.

Gewoon Zondag

•oktober 28, 2007 • 4 reacties

Wat kan zondag toch een walgelijke dag zijn. Het is nooit mijn favoriet der dagen geweest en zal dat wellicht ook nooit worden. De zondagen waarop zelfs God niet weet welk seizoen het nu juist is spannen de kroon qua hatelijkheid. Dan schijnt de zon maar is het toch zo koud dat ieder blad op iedere tak van iedere boom beslist er een einde aan te maken. Zo deprimerend enerverend zijn deze zondagen. Dit zijn de dagen waarop je de wandelende doden ziet. Koppels die hun beste kleren eens in de maand uithalen om eerst te gaan eten met ouders en schoonouders (kwestie van die erfenis te verzekeren) en ze daarna te dumpen in rusthuis De Laatste Vlinder om vervolgens rond te kuieren in de stad of in één of ander godvergeten woud. Daar kunnen ze dan lekker iedere schijtstruik van naderbij bewonderen en iedere vliegezwam verafgoden om toch maar heel even te vergeten dat ze na al die jaren samenwonen elkaars kop niet meer kunnen zien.

 

Het is algemeen bekend dat God, nadat hij de mens van tussen zijn billen kneep, besliste om de zondag uit te roepen als rustdag. Rusten mijn harige – doch welgevormde – reet ja. Mijn doorsnee zondag bestaat eruit wakker te worden (indien geslapen te hebben) met een kater die zijn gelijke niet kent. Hier volgt meestal een koffie op en een kouwelijke tocht op de fiets langs slapend Deinze. Dit alles zodat ik op tijd kom voor mijn nietsbetekenende en, jawel hoor, onderbetaalde job die eruit bestaat vlees in te pakken en soms zelfs te bereiden voor het volk dat mijn zondag meestal zo hatelijk maakt: het cliënteel! Als er nog één naar mottenballen ruftend wandelend lijk mij komt vragen wat er juist in het vleesbrood zit (vlees trut!) dan zweer ik dat ik eigenhandig gebruik zal maken van haar wandelstok om haar een nieuw gat te trekken. De eerste troost is dan een verfrissende pint na de uren maar daar blijft het dan ook bij.

 

Want zondag is ook de dag bij uitstek om uit het oog verloren familieleden in één kamer te smijten. Pintje na het werk dus zo gauw mogelijk consumeren, terug weer en wind trotseren (indien collega met auto aanwezig is: zo hard slijmen dat hij er een week volop kan van klaarkomen) om thuis te komen en meteen te vertrekken. Vandaag vierden we de terugkomst van verloren familielid. Toen ze de deur opendeed en zei dat ze blij was mij terug te zien zag ik meteen aan haar verwrongen glimlach dat de stok die haar reet al die jaren verschool enkel dieper is komen te zitten tijdens haar reizen naar de exotische, oriëntaalse uithoeken van deze aardkloot. Het is nochtans geen lelijk wicht ofzo. Neenee, dat niet. Mijn probleem met haar is gewoon dat ze met haar hoofd op een totaal andere plek zit dan een jonge dame van haar leeftijd zou moeten zitten. Dat zie je in een simpele oogopslag reeds aan haar stijve kledij. Die doet mij steeds terugdenken aan een oud-lerares Nederlands die zonder waarschuwen in haar menopauze is geduikeld en derhalve iedere insinuatie van seksualiteit uit haar leven bant door een zo conservatief mogelijk beeld van haarzelf uit te stralen. Je kent het wel, de lange rokken, de schouderlapjes, de naaldhakjes die nog maar net vanonder de rok piepen en het bijpassende Roel Van Bambost kapsel. Let op, niet dat ik dit een minne dracht vind, maar het siert een jonge dame aan het einde van haar twintigers niet.

 

Verder zijn er nog de tantes en nonkels die, even pretentieus als bovenvermeld familielid, vol geveinsde interesse komen vragen wat je zoal bezighoudt in het dagelijkse leven. Grote fout om dit bij mij te doen. Zodra ik merk dat ik hen begin te vervelen kraam ik de grootste hoop zever uit dien een mens kan uitkramen. En dat is er heel wat. Ik kan het weten, daar ik ze wekelijks uitkraam tegen familieleden en cliënteel. De spijt in hun ogen dat ze de vraag ooit gesteld hebben doet mij een groot genoegen. Net zoals ik er genoegen inneem wanneer iemand mij een gore klootzak noemt. Men zou denken dat het een natuurlijke aanleg is, terwijl niets minder waar is. Mensen ergeren vergt grootse concentratie, toewijding en vooral een koele gemoedstoestand. Om je reputatie hoog te houden dien je soms al eens slachtoffers te maken onder geliefden. Het is een betreurbaar feit dat uiteindelijk wel zijn vruchten afwerpt. Het zendt een boodschap uit.

 

Maar ja, die familie van mij dus. Zelfvoldane zakken die denken dat het leven hen steeds toemaatjes zal toewerpen. Arrogant gespuis dat nog nooit een dag zware arbeid heeft doorstaan, die niets kent van de miserie des levens en derhalve ook niets van de geneugten. Miezerige wannabe-aristocraten die na het nuttigen van taart en koffie beslist om de ouderen van dagen te dumpen en beslissen te gaan wandelen in de ijskoude herfstzon om toch maar heel even te vergeten dat ze nooit geleefd hebben.

 

 

 

Voor zij die het niet zouden gemerkt hebben, vanmiddag ben ik daadwerkelijk naar dit familiefeest geweest maar daar heb ik mij vooral beziggehouden met het ontdekken van Herman Brusselman’s literaire talent in één van zijn meest omstreden werken, Pitface: een parabel. Hoewel bovenstaande tekst vooral een excuus is om grof taalgebruik te hanteren, schuilt er toch een grote bron van waarheid in. Voor zij die de moed hebben gehad dit helemaal uit te lezen: proficiat, alle respect maar ik vrees dat ge vooral uw tijd hebt verspeeld. Go find a job, hippie!

Quoth the Raven

•september 24, 2007 • Geef een reactie

Een scheutje poëzie, een vleugje proza. Dingen die ik weet te appreciëren. Tot deze categorie behoort het prachtige “The Raven” van Edgar Allan Poe, afkomstig uit 1845. De prachtige taal, de herkenbare emoties en de sinistere trekken van het geheel hebben mij tot besluit doen komen dat ik dit vanbuiten moet leren. Wat een avontuur staat mij te wachten. Alvast hier de prachtige vertolking van Christopher Walken. Om gay af te sluiten: geniet mee met mij vrienden *neemt een glaasje porto om zichzelf nog gedistingeerder te doen overkomen*

Once upon a midnight dreary, while I pondered weak and weary,
Over many a quaint and curious volume of forgotten lore,
While I nodded, nearly napping, suddenly there came a tapping,
As of some one gently rapping, rapping at my chamber door.
`’Tis some visitor,’ I muttered, `tapping at my chamber door –
Only this, and nothing more.’

Ah, distinctly I remember it was in the bleak December,
And each separate dying ember wrought its ghost upon the floor.
Eagerly I wished the morrow; – vainly I had sought to borrow
From my books surcease of sorrow – sorrow for the lost Lenore –
For the rare and radiant maiden whom the angels named Lenore –
Nameless here for evermore.

And the silken sad uncertain rustling of each purple curtain
Thrilled me – filled me with fantastic terrors never felt before;
So that now, to still the beating of my heart, I stood repeating
`’Tis some visitor entreating entrance at my chamber door –
Some late visitor entreating entrance at my chamber door; –
This it is, and nothing more,’

Presently my soul grew stronger; hesitating then no longer,
`Sir,’ said I, `or Madam, truly your forgiveness I implore;
But the fact is I was napping, and so gently you came rapping,
And so faintly you came tapping, tapping at my chamber door,
That I scarce was sure I heard you’ – here I opened wide the door; –
Darkness there, and nothing more.

Deep into that darkness peering, long I stood there wondering, fearing,
Doubting, dreaming dreams no mortal ever dared to dream before
But the silence was unbroken, and the darkness gave no token,
And the only word there spoken was the whispered word, `Lenore!’
This I whispered, and an echo murmured back the word, `Lenore!’
Merely this and nothing more.

Back into the chamber turning, all my soul within me burning,
Soon again I heard a tapping somewhat louder than before.
`Surely,’ said I, `surely that is something at my window lattice;
Let me see then, what thereat is, and this mystery explore –
Let my heart be still a moment and this mystery explore; –
‘Tis the wind and nothing more!’

Open here I flung the shutter, when, with many a flirt and flutter,
In there stepped a stately raven of the saintly days of yore.
Not the least obeisance made he; not a minute stopped or stayed he;
But, with mien of lord or lady, perched above my chamber door –
Perched upon a bust of Pallas just above my chamber door –
Perched, and sat, and nothing more.

Then this ebony bird beguiling my sad fancy into smiling,
By the grave and stern decorum of the countenance it wore,
`Though thy crest be shorn and shaven, thou,’ I said, `art sure no craven.
Ghastly grim and ancient raven wandering from the nightly shore –
Tell me what thy lordly name is on the Night’s Plutonian shore!’
Quoth the raven, `Nevermore.’

Much I marvelled this ungainly fowl to hear discourse so plainly,
Though its answer little meaning – little relevancy bore;
For we cannot help agreeing that no living human being
Ever yet was blessed with seeing bird above his chamber door –
Bird or beast above the sculptured bust above his chamber door,
With such name as `Nevermore.’

But the raven, sitting lonely on the placid bust, spoke only,
That one word, as if his soul in that one word he did outpour.
Nothing further then he uttered – not a feather then he fluttered –
Till I scarcely more than muttered `Other friends have flown before –
On the morrow will he leave me, as my hopes have flown before.’
Then the bird said, `Nevermore.’

Startled at the stillness broken by reply so aptly spoken,
`Doubtless,’ said I, `what it utters is its only stock and store,
Caught from some unhappy master whom unmerciful disaster
Followed fast and followed faster till his songs one burden bore –
Till the dirges of his hope that melancholy burden bore
Of “Never-nevermore.”‘

But the raven still beguiling all my sad soul into smiling,
Straight I wheeled a cushioned seat in front of bird and bust and door;
Then, upon the velvet sinking, I betook myself to linking
Fancy unto fancy, thinking what this ominous bird of yore –
What this grim, ungainly, gaunt, and ominous bird of yore
Meant in croaking `Nevermore.’

This I sat engaged in guessing, but no syllable expressing
To the fowl whose fiery eyes now burned into my bosom’s core;
This and more I sat divining, with my head at ease reclining
On the cushion’s velvet lining that the lamp-light gloated o’er,
But whose velvet violet lining with the lamp-light gloating o’er,
She shall press, ah, nevermore!

Then, methought, the air grew denser, perfumed from an unseen censer
Swung by Seraphim whose foot-falls tinkled on the tufted floor.
`Wretch,’ I cried, `thy God hath lent thee – by these angels he has sent thee
Respite – respite and nepenthe from thy memories of Lenore!
Quaff, oh quaff this kind nepenthe, and forget this lost Lenore!’
Quoth the raven, `Nevermore.’

`Prophet!’ said I, `thing of evil! – prophet still, if bird or devil! –
Whether tempter sent, or whether tempest tossed thee here ashore,
Desolate yet all undaunted, on this desert land enchanted –
On this home by horror haunted – tell me truly, I implore –
Is there – is there balm in Gilead? – tell me – tell me, I implore!’
Quoth the raven, `Nevermore.’

`Prophet!’ said I, `thing of evil! – prophet still, if bird or devil!
By that Heaven that bends above us – by that God we both adore –
Tell this soul with sorrow laden if, within the distant Aidenn,
It shall clasp a sainted maiden whom the angels named Lenore –
Clasp a rare and radiant maiden, whom the angels named Lenore?’
Quoth the raven, `Nevermore.’

`Be that word our sign of parting, bird or fiend!’ I shrieked upstarting –
`Get thee back into the tempest and the Night’s Plutonian shore!
Leave no black plume as a token of that lie thy soul hath spoken!
Leave my loneliness unbroken! – quit the bust above my door!
Take thy beak from out my heart, and take thy form from off my door!’
Quoth the raven, `Nevermore.’

And the raven, never flitting, still is sitting, still is sitting
On the pallid bust of Pallas just above my chamber door;
And his eyes have all the seeming of a demon’s that is dreaming,
And the lamp-light o’er him streaming throws his shadow on the floor;
And my soul from out that shadow that lies floating on the floor
Shall be lifted – nevermore!

  horizontal space

vertical space

In het rijtje van nutteloze feestdagen…

•augustus 31, 2007 • Geef een reactie

Gelukkige BlogDag allemaal. Doe zoals mij, verlaat die pc eens en ga u bezatten.

Les in verveling

•augustus 22, 2007 • 1 reactie

Indien u denkt dat mensen die blogs schrijven geen leven hebben (zoals ik), dan raadt ik u aan ten spoedigste u mening te herzien (zoals ik). Wat zeker zal gebeuren na het zien van dit filmpje:

Simpelweg… Geen… Woorden…